Rapport: Particuliere Instandhouding van Historische Buitenplaatsen

Van de 6000 historische buitenplaatsen die Nederland eens rijk was, zijn er nog slechts 552 over, die dermate interessant zijn vanuit cultuurhistorisch oogpunt, dat zij door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed als “Complex Historische Buitenplaatsen” beschermd zijn en daarmee voor het nageslacht behouden worden. De eenheid van rood en groen, het ensemble van Huis en Tuin/Park, die door de term “complex” wordt aangegeven, maakt de overblijvende 552 buitenplaatsen zo bijzonder.

Particuliere eigenaren spelen een belangrijke rol bij de instandhouding van deze buitenplaatsen. Verenigd in de VPHB met meer dan 200 leden, behoren zij tot de grootste groep eigenaren hiervan. Qua kubieke meters rood behoren zij tot de grootste groep conservatoren van ons cultureel erfgoed. Van de 1300 groene rijksmonumenten zijn er circa 330 particuliere historische tuinen, die onderdeel uitmaken van de Complex Historische Buitenplaatsen; daarmee zijn de particulieren ook verreweg de grootste groene conservator.

Hier kunt u het rapport “Particuliere Instandhouding van Historische Buitenplaatsen” downloaden, dat gemaakt is door Dr. Ir. Elisabeth Ruijgrok van het bureau Witteveen en Bos in opdracht van de Vereniging Particuliere Historische Buitenplaatsen (VPHB). Het rapport is onder andere gebaseerd op gegevens verschaft door de leden van deze vereniging.

VPHB Rapport Particuliere Instandhouding van Historische Buitenplaatsen

 

‘Ondernemen met natuur’ bundelt 350 verdienmodellen

Kun je geld verdienen met natuur? Ja, dat kan, luidt het antwoord van Hans Kamerbeek. Dat is de auteur van het boek ‘Ondernemen met natuur’, dat deze week is gepubliceerd. Kamerbeek heeft maar liefst 350 verdienmodellen, besparingen en tips verzameld uit de praktijk van het natuurbeheer. De Utrechtse gedeputeerde Bart Krol nam het eerste exemplaar maandag in ontvangst, tijdens een bijeenkomst op Landgoed Linschoten.

De overheid geeft de laatste jaren steeds minder subsidie voor het beheer van natuur en landschap. Dat dwingt eigenaren van natuurgrond, zoals landgoedeigenaren en natuurorganisaties, om meer eigen inkomsten te genereren. Dat vraagt om creatieve oplossingen. Met deze publicatie is er voor het eerst een totaaloverzicht van de mogelijkheden.

Roel Robbertsen, voorzitter van de Federatie Particulier Grondbezit (FPG), noemde ‘Ondernemen met natuur’ tijdens de presentatie een afspiegeling van de natuur- en landschapswereld anno 2015. Hij benadrukte ook dat de mate waarin natuur in de toekomst afhankelijk is van subsidies, niet alleen bepaald wordt door de vindingrijkheid van eigenaren. “Ondernemen met natuur vraagt om verantwoord ingepaste planologische ruimte, en die moet de overheid bieden.”

Marc van den Tweel, directeur van Natuurmonumenten, verbaasde zich erover dat er nog niet eerder een boek als dit is verschenen en denkt dat het in een grote behoefte voorziet. Hij gaf aan vooral kansen te zien in het stimuleren van mede-eigenaarschap van natuur, door bijvoorbeeld meer met burgercollectieven samen te werken.

Gedeputeerde Krol zei bij het ontvangen van het boek dat hij het een positieve ontwikkeling vindt dat eigenaren kijken hoe zij door te ondernemen de natuur in stand kunnen houden. Maar hij brak ook een lans voor natuursubsidies. “Natuur is de moeite waard om publiek geld aan uit te geven. Dat doen we aan heel veel waardevolle zaken. Daar hoef je je als overheid of maatschappij niet voor te schamen.”

Volgens auteur Hans Kamerbeek zelf ligt de toekomst in multifunctionele natuur: “hoe meer functies groen heeft, hoe minder afhankelijk ze is van subsidies en de politieke tijdgeest.”Rendabele functies (bijvoorbeeld het maken van streekproducten) kunnen op die manier de onrendabele functies financieren (bijvoorbeeld heidebeheer). “De mogelijkheden daartoe verschillen per gebied, dé oplossing bestaat niet.”

Dit boek is mede mogelijk gemaakt door financiële bijdragen van Federatie Particulier Grondbezit, stichting Steunfonds Particulier Erfgoed, stichting Landgoedvrienden, stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied, De Bosgroepen, Prins Bernhard Cultuur Fonds, stichting Anitya Foundation (Natuur en Landschap), provincie Utrecht, Vereniging Particuliere Historische Buitenplaatsen, Bosch van Rosenthal. Verder mocht men een financiële c.q. materiele bijdrage ontvangen van: www.landschappen.nl, landgoed Middachten, stichting Twickel, landgoed Anderstein, landgoed De Hoevens, Natuurmonumenten en het Gelders Genootschap.

Het boek is te bestellen via de website van FPG.

De Tuinbaas en zijn Buitenplaats

“’t Was een stoere man, die tuinbaas, van wel zes voet. Hij liep met naar den grond gebogen hoofd naast zijn metgezel voort, bedaard stappende, ietwat schuifelend met de in leêren pantoffels gestooken voeten. Hij droeg een vest zonder mouwen, dat vaal geworden was, in weer en wind, verscho- ten door de zon, boven een blauw boezeroen, waarvan de mouwen met een breeden boord sloten om de polsen. Een wit boezelaar, opgenomen aan een slip, was heengeslagen om de heupen, en om zijn beenen fladderde een werkbroek van bombazijn, aan de knieën gelapt en bulterig uitgezakt door den langdurigen indruk der forsche knieschijf. Alles aan hem sprak van gezondheid en kracht, van goed gevoed zijn en buitenlucht”
— Adriaan Brouwer (pseudoniem van Jacobus van Looij), De Nachtcactus, 1888

Veel mensen hebben een vage voorstelling van wat een tuinbaas is. Het is hoog tijd dat deze beroepsgroep eens duidelijk op de kaart wordt gezet. Een tuinbaas is een man of vrouw die de verantwoordelijkheid draagt voor de groene omgeving van de buitenplaats, in opdracht van en liefst in nauwe samenwerking met de eigenaar. Meestal is hij gekleed in een soort uniform, kaki of groen, en zonder witte boezelaar. De tuinbaas beheerst de tuinkunst: hij heeft kennis van de bodem, van bomen en planten, van snoeiwerk, van groente- en fruit- teelt, van het onderhoud van tuinsieraden en waterpartijen, van hekken en paden. Hij stuurt zijn personeel aan en geeft, meestal mondeling, zijn kennis door. Natuurlijk bestaan er diverse handboeken, maar hoe het toegaat in het historisch groen, op die specifieke plek, wordt toch hoofdzakelijk in de praktijk geleerd.

Edel beroep

Dit edele beroep dreigt te verdwijnen, want door economische noodzaak wordt vaak bezuinigd op het beheer van de groene buitenruimte. een vervelend voorbeeld hiervan is het intrekken van de PHB subsidie door het ministerie van LNV. Overigens is Lutz Jacobi, tweede kamerlid voor de PvdA, de indienster van een motie tegen dit onzalige plan, zelf ‘begeesterd’ door de tuinbaas van Oranjestein (Arcadië 2, 2009). de buitenplaats eigenaren moeten vanaf 2011 zelf hoveniers inhuren. Een hoveniersbedrijf inhuren is minder duur dan een vaste man in loondienst. De verbondenheid van beheerder en park, en daarmee de continuïteit, dreigt hierdoor verloren te gaan. De meeste tuinbazen zien immers hun park als hun eigen achtertuin. De opgebouwde kennis en het daaruit ontstane inzicht in de ontwikkeling van het historisch groen zijn voor die continuïteit noodzakelijk.

Er wordt vanuit de beroepsgroep van tuinbazen pogingen gedaan om door middel van opleidingen en een belangenvereniging het vak van tuinbaas in stand en hoog te houden. Kees Beelaerts van Blokland is, behalve buitenplaatseigenaar en hovenier, de voorzitter van het gilde van tuinbazen. Dit gilde is in 2003 opgericht met de doelstelling: ‘Het bijstaan van- en onderhouden van contacten tussen tuinbazen, en de onder de leden aanwezige kennis delen en uitwisselen. Zij tracht dit doel onder meer te bereiken door het geven van opleidingen’. Contacten zijn er vrolijk en frequent tussen de ongeveer honderd leden van het gilde. Beelaerts van Blokland en zijn gilde proberen dit verdwijnende beroep nieuw leven in te blazen. Door onderlinge ‘kruisbestuiving’ van adviezen, tips en soms ook materiële zaken. Niet zelden wisselt een struik of jonge boom van park. De diverse excursiedagen per jaar naar de buitenplaatsen of landgoederen van collega’s zijn zeer druk bezocht , vooraf wordt in het gildeblad de tuinbaas een beschrijving over de betreffende tuinbaas en zijn werkplek gegeven. Sinds kort staat ook bezoek aan buitenlandse historische tuinen op het programma, onder leiding van de bezielende tuinbaas Willem Zieleman van Paleis Het Loo.

tuinbazen

Opleiding

Het groene opleidingscentrum AOC-Friesland (agrarisch opleidingscentrum) is in februari 2010 met een tweejarige tuinbaasopleiding in Leeuwarden gestart. Het gilde van tuinbazen heeft daarbij een grote rol gespeeld. De prospectus voor het beheer en inrichting van het groene erfgoed, vermeldt: ‘Zodat alle betrokkenen tevreden zijn en het publiek kan genieten van de grote cultuur- en natuurhistorische waarde’. Er klinken dus hoopvolle geluiden, maar in tijden van economische recessie is het zaak om te zorgen voor een breed maatschappelijk draagvlak. Daarom wil het gilde van tuinbazen de horticulturele kennis van de tuinbazen vastleggen. Niet door middel van een nieuw handboek, maar door een onderzoek naar de werkzaamheden van tuinbazen, oud en jong, door heel Nederland. Een tuinbazenboek voor een groot publiek. Voor dit onderzoek bezocht ik, samen met Johan van Galen Last, groenbeheerder/tuinbaas en tevens fotograaf van de vereniging Natuurmonumenten, 24 buitenplaatsen en andere historische tuinen en parken. Door een dag of dagdeel mee te lopen met 26 tuinbazen (van Het Huys ten donck en Paleis Het Loo met de oude én de jonge tuinbaas) en deze te bevragen op een bepaald aspect ontstond een beeld van het verleden, het heden en de toekomst van de diverse onderdelen. Aan een historische tuin zitten vele aspecten en door telkens een ander aspect te kiezen krijgt men inzicht in een ‘virtuele’ buitenplaats. Hier geldt letterlijk dat het geheel meer is dan de som der delen. Bovendien blijkt door deze aanpak hoe veelzijdig het werk van een tuinbaas is en van hoeveel markten hij thuis moet zijn.

Het boek de Tuinbaas en zijn Buitenplaats is geen exposé́ van vakkennis, dat immers voor leken al gauw onbegrijpelijk wordt. De gesprekken gaan niet alleen over kennis van groenzaken, maar ook over eigentijdse arbeidsverhoudingen, lastige wetten en voorschriften en publieksmaatregelen. Belichte aspecten zijn bijvoorbeeld de stinsenplanten op de Dekemastate in Friesland; de haagwerken van Weldam; het bos- en faunabeheer op Middachten; de oranjeriecollectie op Twickel; de lakenvelders op het landgoed Archem in Overijssel; de zeldzame mozaïekperken op het landgoed de Mattemburgh in Brabant; of de waterwerken in Park Rosendael. Uit deze gesprekken blijkt de verknochtheid van de tuinbaas aan de buitenplaats, zoals de hoogbejaarde tuinbaas van Het Huys ten Donck die aan de tegenwoordige tuinbaas de oude bel cadeau gaf, die voor het werkvolk werd geluid als het schafttijd was. De namen van alle tuinbazen van de buitenplaats zijn daarin gegraveerd. De pas gepensioneerde tuinbaas van Archem blijft zijn lakenvelders verzorgen. En de oude tuinbaas van de Mattemburgh haalt regelmatig een gratis kopje koffie in de tot restaurant verbouwde oranjerie. Gerichte vragen over het gekozen aspect van de betreffende buitenplaats leverden een lawine van interessante informatie op.

Het kostte soms moeite om de rode draad vast te houden door de veelheid van kennis plus de nodige anekdotes. Bijvoorbeeld een tuinbaas op een landgoed die eiwit geeft aan zijn vleesetende planten, terwijl hij zelf het eigeel opeet. De doorgaans zwijgzame tuinbaas raakt niet uitverteld als het over zijn vak en park gaat. De gesprekken zijn door middel van gerichte literatuurstudie in een cultuurhistorische context geplaatst. Fotograaf van Galen Last maakte, behalve een algemene reportage, ook foto’s van meer specifieke werkzaamheden, toegespitst op het gekozen aspect. Zodoende vullen tekst en foto’s elkaar aan. Door deze oral history worden de contouren zichtbaar van een beroepsgroep die voor een deel de horticulturele geschiedenis van Nederland medebepaalde.

Kwaliteit van de Nederlandse buitenplaatsen

Het blijkt dat de groene kwaliteit van de Nederlandse buitenplaatsen hoog is. Die kwaliteit wordt bewaakt door de tuinbaas. Hij zorgt ervoor dat het historisch ontwerp in stand wordt gehouden, dat de belijning niet wordt aangetast, dat het bomenbestand op peil blijft, dat de waterwerken worden gebaggerd, dat er voldoende seizoensplanten zijn, dat de oranjerieplanten en boompjes tijdig worden binnengehaald, dat er gesnoeid, gekapt, gemaaid, gesproeid, gezaaid, gepoot en geoogst wordt. Veel mensen zijn nog onvoldoende bekend met de groene kwaliteit van de Nederlandse buitenplaatsen. Nog steeds maakt een groot deel van de tuinliefhebbers reizen naar het buitenland om daar de groene juwelen te bewonderen, die in het eigen land onbekend zijn. Daar wil de Tuinbaas en zijn Buitenplaats proberen verandering in te brengen. Zowel de buitenplaatsen als hun tuinbazen zijn de aandacht van een groter publiek meer dan waard.

Dit artikel is geschreven door Gertrudis A.M. Offenberg en is eerder verschenen in Tijdschrift Arcadië, uitgegeven door de stichting Vrienden PHB.

Richtlijnen Tuinhistorisch Onderzoek

Recentelijk zijn de richtlijnen Tuinhistorisch Onderzoek verschenen. Deze richtlijnen zijn bedoeld om weloverwogen beslissingen te kunnen nemen. De richtlijnen zijn opgesteld voor eigenaren/beheerders van een (cultuurhistorisch waardevolle) aanleg, de onderzoekers die de waarden van een aanleg vaststellen, en toetsers die veranderingen in een aanleg beoordelen en/of daarvoor vergunning verlenen.

Tuin- en landschaps- architecten kunnen ook werken met de resultaten van tuinhistorisch onderzoek dat handvatten biedt bij het ontwerpen én een onderbouwing leveren voor de aard en omvang van de voorgenomen ingreep.
 De vergunningverlener kan tuinhistorisch onderzoek gebruiken als toetsingskader voor een omgevingsvergunning. Het onderzoek kan helpen bij het opstellen van waardekaarten en waardeverwachtingskaarten van gebieden en kan ook gebruikt worden bij bestemmingsplannen.

Klik hier om de publicatie te downloaden.

Duurzaam erfgoed; duurzaamheid, energiebesparing en monumenten

We koesteren onze monumenten en andere historische gebouwen. Ook gebruiken we ze graag. Bijvoorbeeld als woonhuis, kantoor of museum. Tegenwoordig zijn daarbij soms aanpassingen wenselijk, bijvoorbeeld op het gebied van energie en comfort. In andere gevallen is het niet zozeer het gebouw dat aangepast moet worden, maar de manier waarop we het gebruiken.

In beheer, renovatie en restauratie is aandacht voor duurzaamheid steeds vanzelfsprekender. Dat is ook het geval bij monumenten. Thema’s als energiebesparing en materiaalgebruik liggen daarbij voor de hand. Maar bij duurzaamheid en monumenten gaat het ook over andere zaken. Deze publicatie biedt een fascinerende inkijk in de nieuwste technieken, materialen en inzichten op het gebied van duurzaam beheren, verbouwen en renoveren van historische gebouwen.

Klink hier voor informatie over deze publicatie op de website van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed

“Elektrisch licht in historische interieurs”

Europese regelgeving schrijft voor dat de gloeilamp straks vervangen is door energiezuinige varianten. In de gebouwen van de Rijksgebouwendienst is de gloeilamp al grotendeels verdwenen, behalve in monumenten. In het boekje „Elektrisch licht in historische interieurs‟ dat in mei 2011 verscheen, tonen drie verlichtingsdeskundigen aan dat vervanging van gloeilampen in monumenten geen eenvoudige zaak is.

Het boekje is hier te downloaden.

Literatuurtips

Buitenplaatsen zijn een populair onderwerp voor boeken. Van RCE informatiefolders tot spookverhalen, op deze pagina treft u een overzicht van allerlei boeken die u meer inzicht geven in de bijzondere verhalen achter de buitenplaatsen.