dr. Hanneke Ronnes benoemd tot opvolger prof. dr. Yme Kuiper

Tijdens het onlangs gehouden Henri van der Wyck-symposium werd bekendgemaakt dat prof. dr. Yme Kuiper als bijzonder hoogleraar Historische Buitenplaatsen aan de Rijksuniversiteit Groningen zal worden opgevolgd door dr. Hanneke Ronnes.

Per Insinger en Philip de Haseth Möller waren aanwezig tijdens het symposium om namens VPHB Hanneke te feliciteren met haar benoeming en Yme Kuiper te bedanken voor zijn inzet voor de Historische Buitenplaatsen en Landgoederen.

Op dit moment is dr. Hanneke Ronnes onder andere assistent professor Cultuurgeschiedenis van Europa aan de Universiteit van Amsterdam. Zij studeerde geschiedenis (Universiteit van Amsterdam), antropologie (Vrije Universiteit van Amsterdam) en archeologie (Universiteit van Amsterdam en University College Dublin, Ierland). Haar dissertatie, met de titel Architecture and Élite Culture in the United Provinces, England and Ireland, 1500-1700, werd in 2006 gepubliceerd door Uitgeverij Pallas.

Restauratieachterstand monumenten dreigt opnieuw

De Vereniging Particuliere Historische Buitenplaatsen (VPHB) waarschuwt minister Bussemaker (OCW) en staatssecretaris Wiebes (Financiën) voor een monumentale vergissing. De vandaag voorgestelde plannen om de fiscale aftrek van onderhoud voor rijksmonumenten af te schaffen hebben grote gevolgen voor particuliere eigenaren van rijksmonumenten. De kans is groot dat hierdoor op termijn een nieuwe restauratieachterstand ontstaat.

Historische buitenplaatsen zijn bijzondere rijksmonumenten die de cultuurhistorische juwelen van het Nederlandse landschap vormen. Door een gebrek aan financiën zijn veel van deze buitenplaatsen door de eeuwen heen verdwenen. Slechts een klein aantal van deze monumenten is overgebleven en wordt nog bewoond. Het beheren en in stand houden van deze uitzonderlijke monumentale woningen is een tijdrovende bezigheid en ook kostbaarder dan een “gewone” woning. De laatste decennia heeft de overheid dan ook een beleid gevoerd dat restauratie en instandhouding bevorderde. Het onderhoud moet gedaan worden door specialisten, die de gewenste kwaliteit kunnen leveren. Zoals de uitstraling van stadsmonumenten in steden is, zo zijn ook de buitenplaatsen van groot belang voor de aantrekkingskracht en de belevingswaarde van het landschap.

Om het onderhoud van ons cultureel erfgoed vanuit de gemeenschap te steunen zijn de afgelopen decennia verschillende subsidieregelingen, laagrentende leningen en andere maatregelen ingevoerd. De belangrijkste van deze voorzieningen is de mogelijkheid om 80% van de onderhoudskosten voor deze rijksmonumenten in particulier eigendom fiscaal te verrekenen. Als het aan de minister van OCW en de staatssecretaris van Financiën ligt zal deze regeling per 1 januari a.s. overgaan in een overgangsregeling die uiteindelijk zal leiden tot volledige afschaffing ervan. Deze afschaffing treft uitsluitend ca. 25.000 particuliere eigenaren van woonhuismonumenten.

Terug naar een restauratieachterstand
Deze aanpassing staat haaks op het landelijke monumentenbeleid van de afgelopen jaren. Dat was er op gericht om de in de jaren ’80 en ’90 ontstane restauratieachterstand in te halen en daarna op peil te houden. Naast het maatschappelijke belang moet ook rekening worden gehouden met het feit dat het aanwijzen van een woning tot rijksmonument grote belemmeringen oplevert voor eigenaren. Deze belemmering wordt tot op heden gecompenseerd door een fiscale aftrek voor woonhuizen en subsidies voor de overige monumenten. Met de invoering van de Erfgoedwet per 1 juli jl. zijn op verzoek van de Tweede Kamer de verplichtingen voor eigenaren van rijksmonumenten zelfs verzwaard door de in de wet opgenomen onderhoudsplicht.

Per Insinger (Voorzitter VPHB) wijst op de mogelijkheid dat het gevolg van deze aanpassingen zal zijn dat er op termijn een nieuwe nationale restauratieachterstand ontstaat: “Met het wegvallen van deze compensatie voor particuliere monumenteneigenaren ontstaat een grotere drempel voor het uitvoeren van onderhoud aan woonhuismonumenten. Het schrappen van deze fiscale aftrek in samenhang met een bescheiden verhoging van het subsidiebudget voor rijksmonumenten lijkt vooral te zijn ingegeven door de wens om per saldo een bezuiniging te realiseren. Dit is niet in het belang van het Nederlands cultureel erfgoed en dus een duidelijke stap terug in de tijd”.

Rapport: Particuliere Instandhouding van Historische Buitenplaatsen

Van de 6000 historische buitenplaatsen die Nederland eens rijk was, zijn er nog slechts 552 over, die dermate interessant zijn vanuit cultuurhistorisch oogpunt, dat zij door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed als “Complex Historische Buitenplaatsen” beschermd zijn en daarmee voor het nageslacht behouden worden. De eenheid van rood en groen, het ensemble van Huis en Tuin/Park, die door de term “complex” wordt aangegeven, maakt de overblijvende 552 buitenplaatsen zo bijzonder.

Particuliere eigenaren spelen een belangrijke rol bij de instandhouding van deze buitenplaatsen. Verenigd in de VPHB met meer dan 200 leden, behoren zij tot de grootste groep eigenaren hiervan. Qua kubieke meters rood behoren zij tot de grootste groep conservatoren van ons cultureel erfgoed. Van de 1300 groene rijksmonumenten zijn er circa 330 particuliere historische tuinen, die onderdeel uitmaken van de Complex Historische Buitenplaatsen; daarmee zijn de particulieren ook verreweg de grootste groene conservator.

Hier kunt u het rapport “Particuliere Instandhouding van Historische Buitenplaatsen” downloaden, dat gemaakt is door Dr. Ir. Elisabeth Ruijgrok van het bureau Witteveen en Bos in opdracht van de Vereniging Particuliere Historische Buitenplaatsen (VPHB). Het rapport is onder andere gebaseerd op gegevens verschaft door de leden van deze vereniging.

VPHB Rapport Particuliere Instandhouding van Historische Buitenplaatsen

 

De magie van de buitenplaats

Het beschermen van cultuurhistorisch erfgoed gaat ons in Nederland goed af. Waar in Nederland één rijksmonument per 280 inwoners staat, is dit in bijvoorbeeld Vlaanderen één per 500 inwoners.[1] Toch zijn wij Nederlanders over het algemeen niet veel met onze geschiedenis bezig. Zo had bijna de helft van de Nederlandse bevolking in 2008 geen idee welke eeuw bekend staat als de Gouden Eeuw.[2] Dikke geschiedenisboeken waren (en zijn nog altijd) uit de mode, enkel weggelegd voor een selecte groep van liefhebbers. Een verhalende stijl van presenteren biedt echter mogelijk uitkomst: storytelling.

Breng een kind naar een kasteel of buitenplaats en het waant zich de rest van de dag een dappere ridder of mooie prinses. Het gebouw vormt ‘slechts’ het decor binnen de fantasie van de jeugdige bezoeker – het gaat om de verhalen en avonturen die de ridder en de prinses beleven. Bij volwassenen werkt dit niet anders. Verhalen geven ons grip, helpen ons verwerken wat wij waarnemen en geven betekenis aan wat wij doen. Onze hersenen zijn constant op zoek naar de onderliggende samenhang tussen gegevens. Het onthouden van een serie jaartallen en gebeurtenissen an sich is een lastige klus, maar presenteer de gebeurtenissen in een lopend verhaal en onze hersenen kunnen de informatie veel beter verwerken. Verhalen sluiten aan op de manier waarop wij informatie verwerken.

Een goed voorbeeld van een presentatie waarin storytelling centraal staat is de website van het Van Gogh museum. In plaats van de bezoeker te confronteren met een volledig uitgeschreven biografie over het leven van de schilder zet het museum in op korte teksten en citaten die binnen een thema zijn gegroepeerd. De website neemt de bezoeker mee door de verhalen en inspiratiebronnen die om de beroemde grootmeester heen hangen in plaats van een droge opsomming van zijn leven te geven.

Historische buitenplaatsen zijn typisch locaties die bijzondere verhalen herbergen. Van oudsher dienden deze locaties veelvuldig als inspiratieplek voor bijzondere bewoners en logees als dichters, filosofen, schilders en staatslieden. Dit zijn de verhalen die verteld moeten worden! Het zijn deze verhalen die van buitenplaatsen ook voor volwassenen die magische plek maken van weleer. Durf in de informatievoorziening over uw buitenplaats verder te gaan dan een beschrijving van de architectonische schoonheid van de gevel of welke familie op welk moment eigenaar was. Ga in op een markante bewoner of bezoeker en vertel juist dàt verhaal. Zo beklijft het beter en onderstrepen we het belang van de buitenplaatsen als belangrijk Nederlands cultureel erfgoed.

Men zegt wel eens dat gebouwen een verhaal te vertellen hebben, maar niets is minder waar. Het gebouw zelf zal nooit spreken, het zijn de mensen die in een gebouw wonen, werken of er grote daden in de buurt verrichtten die het narratief voorzien. Storytelling is daarin een fantastisch instrument om de geschiedenis van de buitenplaatsen inzichtelijk en beleefbaar te maken voor een breed publiek, onze hersenen zijn er immers dol op. Het zal aan de storytelling in de film over het leven van Michiel de Ruyter te danken zijn dat meer mensen tegenwoordig weten dat de 17e eeuw het juiste antwoord is op de eerdergenoemde vraag.

[1] Gertjan de Boer, Erfgoedstem 12 februari 2015

[2] Geschiedenismonitor 2008

Herbestemmen van buitenplaatsen

Herbestemmen is hip. Een bruisend biertje drinken in de Brasserie van de Broerenkerk in Zwolle? Een diner voor twee in het Kruisheren Hotel in Maastricht? Een paspoort halen in het gemeentehuis van Zuidlaren: een oude drentse Havezathe? Het kan allemaal!

Het lijkt vergezocht: drankgebruik en wuft vertier. Waar eens soberheid en spiritualiteit de leidraad waren worden nu de tapas geserveerd vergezeld van een lijst met de meest exclusieve wijnen ter wereld. Leegstand en verandering van zeden en omstandigheden nopen eigenaren van bijzondere monumenten om na te denken over een nieuwe bestemming van hun onroerend goed. Dat dit vaak afbreuk doet aan de authenticiteit van het betreffende pand verliest men daarbij doorgaans uit het oog.

Ieder monument reflecteert de tijdsgeest van zijn oorsprong. De opvattingen die leefden, de normen en waarden, kregen vorm en werden uitgedrukt in stenen en andere materialen. Het oorspronkelijk bedoelde gebruik ademde daar de ziel van. Een ziel die door menselijke activiteiten geleidelijk het hele pand en zijn omgeving doordrongen.

In Zuidlaren is een voorbeeld van een monument wat juist zijn oorspronkelijke bestemming herkreeg. De oude Havezathe Laarwoud kwam in 1915, na het uitsterven van het geslacht De Milly van Heiden Reinestein, in bezit van de gemeente Zuidlaren. Vervolgens is het huis jaren in gebruik geweest als ambtswoning van de burgemeester. In de tweede wereldoorlog legden Duitsers beslag op het pand en transformeerden het tot noodhospitaal. Na de oorlog werd na rijp beraad door de gemeente besloten het volledig uitgewoonde en vernielde huis te bestemmen tot gemeentehuis en in 1955 werd het dan ook als zodanig in gebruik genomen.

De Zuidlaarders vormden een intensieve band met het gemeentehuis: ze trouwden er, haalden er hun paspoort, deden er aangiftes van geboorten en overlijden. De inwoners van Zuidlaren waren trots op hun gemeentehuis! Maar toch was het niet hetzelfde. Het Laarwoud, ooit de residentie van de Nederlands-Russische zeeheld Lodewijk van Heiden (beter bekend als Berend Botje uit Zuidlaren), was niets meer dan een luxe kantoorpand. Als de laatste ambtenaar ’s avonds de deur achter zich dicht trok kwam er geen rook uit de schoorstenen en was het er koud en kil. Het Laarwoud lag er op dat tijdstip eenzaam bij. Hoewel de gemeente voorzag in een passende bestemming voor het pand is een buitenplaats zonder vaste bewoner simpelweg anders. Zonder de toewijding en het wakend oog van de eigenaar overwoekerden paden in het parkbos en nestelden de roeken zich in de rookkanalen van de oorspronkelijke haarden. Een kantoorgebouw wordt immers anders gebruikt dan een woonhuis.

Als gevolg van schaalvergroting werd de gemeente Zuidlaten in 2004 onderdeel van de nieuwe gemeente Tynaarlo. Bij deze nieuwe gemeente hoorde een nieuw gemeentehuis, de oude Havezathe werd te koop gezet. Na zorgvuldig overleg werd besloten het monumentale gebouw weer zijn oorspronkelijke bestemming te geven: een statig woonhuis in een prachtige omgeving. Na een grondige restauratie waarin de systeemplafonds van het kantoorruimtes plaats maakten voor de oorspronkelijke detaillering ontstond er weer een warm familiehuis met prachtig parkbos. Op koude nachten komt er weer rook uit de schoorstenen: het Laarwoud leeft weer!

Deze column is verschenen in het tijdschrift Arcadië van november 2014.

Blijvende herinneringen

Voor kinderen zijn er weinig plekken zo spannend als een buitenplaats. Zelf kwam ik als kind vaak op Zwijnsbergen (bij Den Bosch), de prachtige, landelijke buitenplaats gebouwd in de 16e eeuw van mijn grootmoeder. Ik herinner me nog goed mijn strooptochten in de boomgaard, waar ik stiekem kersen en peren stal (hoewel iedereen dat natuurlijk allang wist). En dat ik als klein jongetje op zomerse middagen de pachter ‘hielp’ met het hooien, door karren vol te laden met het gedroogde gras, om vervolgens het paard te mennen op weg naar huis. De eindeloos grote tuinen met hun geheime plekken boden een fantastische gelegenheid voor de ontdekkingstochten waarmee ik mij vele middagen heb vermaakt.

Dit geldt niet alleen voor mij. Iedereen die vroeger door de bossen en parken van buiten- plaatsen struinde, heeft blijvende herinneringen opgebouwd die altijd voor een glimlach op het gezicht zorgen. En de band met deze plekken, die in je jeugd opgebouwd wordt, blijft op die manier de rest van je leven bestaan.

Met het verstrijken van de tijd, krijgt die band zelfs meer diepgang. Voor volwassenen zijn buitenplaatsen eveneens fascinerende plekken, vol verhalen en romantiek. Het kasteel met zijn geheime ruimtes was niet alleen interessant in mijn jeugd, maar de verhalen over de onderduikers die in de Tweede Wereldoorlog verscholen hebben gezeten in de daarvoor aangelegde geheime ruimte, blijven me nog steeds bezighouden. Ik kijk met een andere blik naar het gebouw waar ik vroeger verstoppertje speelde: nu waardeer ik het kasteel ook vanwege zijn esthetische en historische waarde, en het landgoed vanwege de rijkdom aan plant- en diersoorten. De waardering voor de enorme schat aan monumenten, cultuurhistorie en natuur die buitenplaatsen te bieden hebben, wordt in de loop der tijd steeds groter en gelukkig ook steeds breder in de samenleving gedragen.

De buitenplaats waar ik ben opgegroeid, vormt niet alleen een wezenlijk onderdeel van mijn leven, maar ook van het Nederlandse erfgoed. Daarom ben ik blij dat VPHB en de Vrienden van Particuliere Historische Buitenplaatsen helpen om de krachten en kennis van eigenaren en andere betrokkenen bij particuliere historische buitenplaatsen te bundelen, zodat ze zich samen sterk kunnen maken voor het behoud en beheer van dit unieke cultuurhistorische erfgoed. Juist het feit dat deze buitenplaatsen nog in particulier bezit zijn, draagt bij aan het ‘levend’ houden van dit bijzondere erfgoed. Laten we ervoor zorgen dat ook de volgende generatie ernaar toe kan gaan om mooie herinneringen op te bouwen en de verhalen te kunnen blijven vertellen.

Deze column is verschenen in het tijdschrift Arcadië van mei 2014.

Foto: Flickr, Paul Stainthorp – CC.

De overdracht van een buitenplaats

Bij particuliere eigenaren van buitenplaatsen staat de duurzame continuïteit en het in ere houden en doorgeven van dit erfgoed steeds op een zeer hoge plaats. Daar wordt altijd veel tijd en energie aan besteed. Een belangrijk onderdeel daarvan is de overdracht aan een nieuwe eigenaar, veelal liefst een volgende generatie.

Als geschreven wordt over de overdracht van een buitenplaats wordt vaak stil gestaan bij welke juridische stappen genomen moeten worden en hoe het een en ander fiscaal het best gestructureerd kan worden. Ook de ‘softere’ kant, zoals een mogelijk generatieconflict dat tot uiting kan komen bij een overdracht, is nog wel eens onderwerp van een artikel.

Er lijkt echter veel minder oog te zijn voor de gevolgen van een dergelijke overdracht op het reilen en zeilen op een buitenplaats. En, ook niet onbelangrijk, waarom een nieuwe eigenaar eigenlijk een buitenplaats zou willen overnemen? Naast alle lusten van een buitenplaats zijn er immers ook allerlei lasten aan dit bezit verbonden.

Het lijken eenvoudige vragen maar al snel blijkt dat het beantwoorden van deze vragen toch iets minder makkelijk is. Zal bijvoorbeeld de omgeving iets merken van een dergelijke overdracht? En zo ja, wat dan? Vaak wordt gezegd dat een overdracht geruisloos moet plaatsvinden. Maar is dat wel zo? Wat is er op tegen als ook de buitenwereld iets merkt van een overdracht?

Een jongere generatie of een nieuwe eigenaar zal bijvoorbeeld op een andere manier communiceren met de buitenwereld. Niet alleen in de directe contacten maar ook op de wijze waarop de buitenplaats zich aan de buitenwereld presenteert. Een ander verschil zou kunnen zijn de manier waarop de ‘nieuwe’ eigenaar met zijn buitenplaats omgaat. De buitenplaats zal niet zelden een andere plaats in het leven van de nieuwe eigenaar innemen. In een wereld waar familie, werk, zorg en sociale contacten al zeer veel tijd vergen, zal ook nog aandacht besteed moeten worden aan de buitenplaats. Dat houdt vanzelf in dat de manier waarop een buitenplaats wordt aangestuurd zal veranderen. Daarnaast kunnen eventueel ook de activiteiten op een buitenplaats wijzigen doordat de nieuwe generatie op zoek gaat naar andere economische dragers om de buitenplaats rendabel te maken of te houden.

Veel dingen blijven echter ook hetzelfde. De nieuwe generatie eigenaars voelt zich net zo verbonden met de buitenplaats als de oudere generatie. De liefde voor het historisch cultuurgoed en het natuurschoon is niet minder. Dat heeft natuurlijk ook alles te maken met de vele dierbare herinneringen en verhalen die aan de buitenplaats verbonden zijn. Het vertellen van die verhalen en het doorgeven van de cultuur historie is een heel belangrijk goed!

Deze column is verschenen in het tijdschrift Arcadië van mei 2014.