De Tuinbaas en zijn Buitenplaats

“’t Was een stoere man, die tuinbaas, van wel zes voet. Hij liep met naar den grond gebogen hoofd naast zijn metgezel voort, bedaard stappende, ietwat schuifelend met de in leêren pantoffels gestooken voeten. Hij droeg een vest zonder mouwen, dat vaal geworden was, in weer en wind, verscho- ten door de zon, boven een blauw boezeroen, waarvan de mouwen met een breeden boord sloten om de polsen. Een wit boezelaar, opgenomen aan een slip, was heengeslagen om de heupen, en om zijn beenen fladderde een werkbroek van bombazijn, aan de knieën gelapt en bulterig uitgezakt door den langdurigen indruk der forsche knieschijf. Alles aan hem sprak van gezondheid en kracht, van goed gevoed zijn en buitenlucht”
— Adriaan Brouwer (pseudoniem van Jacobus van Looij), De Nachtcactus, 1888

Veel mensen hebben een vage voorstelling van wat een tuinbaas is. Het is hoog tijd dat deze beroepsgroep eens duidelijk op de kaart wordt gezet. Een tuinbaas is een man of vrouw die de verantwoordelijkheid draagt voor de groene omgeving van de buitenplaats, in opdracht van en liefst in nauwe samenwerking met de eigenaar. Meestal is hij gekleed in een soort uniform, kaki of groen, en zonder witte boezelaar. De tuinbaas beheerst de tuinkunst: hij heeft kennis van de bodem, van bomen en planten, van snoeiwerk, van groente- en fruit- teelt, van het onderhoud van tuinsieraden en waterpartijen, van hekken en paden. Hij stuurt zijn personeel aan en geeft, meestal mondeling, zijn kennis door. Natuurlijk bestaan er diverse handboeken, maar hoe het toegaat in het historisch groen, op die specifieke plek, wordt toch hoofdzakelijk in de praktijk geleerd.

Edel beroep

Dit edele beroep dreigt te verdwijnen, want door economische noodzaak wordt vaak bezuinigd op het beheer van de groene buitenruimte. een vervelend voorbeeld hiervan is het intrekken van de PHB subsidie door het ministerie van LNV. Overigens is Lutz Jacobi, tweede kamerlid voor de PvdA, de indienster van een motie tegen dit onzalige plan, zelf ‘begeesterd’ door de tuinbaas van Oranjestein (Arcadië 2, 2009). de buitenplaats eigenaren moeten vanaf 2011 zelf hoveniers inhuren. Een hoveniersbedrijf inhuren is minder duur dan een vaste man in loondienst. De verbondenheid van beheerder en park, en daarmee de continuïteit, dreigt hierdoor verloren te gaan. De meeste tuinbazen zien immers hun park als hun eigen achtertuin. De opgebouwde kennis en het daaruit ontstane inzicht in de ontwikkeling van het historisch groen zijn voor die continuïteit noodzakelijk.

Er wordt vanuit de beroepsgroep van tuinbazen pogingen gedaan om door middel van opleidingen en een belangenvereniging het vak van tuinbaas in stand en hoog te houden. Kees Beelaerts van Blokland is, behalve buitenplaatseigenaar en hovenier, de voorzitter van het gilde van tuinbazen. Dit gilde is in 2003 opgericht met de doelstelling: ‘Het bijstaan van- en onderhouden van contacten tussen tuinbazen, en de onder de leden aanwezige kennis delen en uitwisselen. Zij tracht dit doel onder meer te bereiken door het geven van opleidingen’. Contacten zijn er vrolijk en frequent tussen de ongeveer honderd leden van het gilde. Beelaerts van Blokland en zijn gilde proberen dit verdwijnende beroep nieuw leven in te blazen. Door onderlinge ‘kruisbestuiving’ van adviezen, tips en soms ook materiële zaken. Niet zelden wisselt een struik of jonge boom van park. De diverse excursiedagen per jaar naar de buitenplaatsen of landgoederen van collega’s zijn zeer druk bezocht , vooraf wordt in het gildeblad de tuinbaas een beschrijving over de betreffende tuinbaas en zijn werkplek gegeven. Sinds kort staat ook bezoek aan buitenlandse historische tuinen op het programma, onder leiding van de bezielende tuinbaas Willem Zieleman van Paleis Het Loo.

tuinbazen

Opleiding

Het groene opleidingscentrum AOC-Friesland (agrarisch opleidingscentrum) is in februari 2010 met een tweejarige tuinbaasopleiding in Leeuwarden gestart. Het gilde van tuinbazen heeft daarbij een grote rol gespeeld. De prospectus voor het beheer en inrichting van het groene erfgoed, vermeldt: ‘Zodat alle betrokkenen tevreden zijn en het publiek kan genieten van de grote cultuur- en natuurhistorische waarde’. Er klinken dus hoopvolle geluiden, maar in tijden van economische recessie is het zaak om te zorgen voor een breed maatschappelijk draagvlak. Daarom wil het gilde van tuinbazen de horticulturele kennis van de tuinbazen vastleggen. Niet door middel van een nieuw handboek, maar door een onderzoek naar de werkzaamheden van tuinbazen, oud en jong, door heel Nederland. Een tuinbazenboek voor een groot publiek. Voor dit onderzoek bezocht ik, samen met Johan van Galen Last, groenbeheerder/tuinbaas en tevens fotograaf van de vereniging Natuurmonumenten, 24 buitenplaatsen en andere historische tuinen en parken. Door een dag of dagdeel mee te lopen met 26 tuinbazen (van Het Huys ten donck en Paleis Het Loo met de oude én de jonge tuinbaas) en deze te bevragen op een bepaald aspect ontstond een beeld van het verleden, het heden en de toekomst van de diverse onderdelen. Aan een historische tuin zitten vele aspecten en door telkens een ander aspect te kiezen krijgt men inzicht in een ‘virtuele’ buitenplaats. Hier geldt letterlijk dat het geheel meer is dan de som der delen. Bovendien blijkt door deze aanpak hoe veelzijdig het werk van een tuinbaas is en van hoeveel markten hij thuis moet zijn.

Het boek de Tuinbaas en zijn Buitenplaats is geen exposé́ van vakkennis, dat immers voor leken al gauw onbegrijpelijk wordt. De gesprekken gaan niet alleen over kennis van groenzaken, maar ook over eigentijdse arbeidsverhoudingen, lastige wetten en voorschriften en publieksmaatregelen. Belichte aspecten zijn bijvoorbeeld de stinsenplanten op de Dekemastate in Friesland; de haagwerken van Weldam; het bos- en faunabeheer op Middachten; de oranjeriecollectie op Twickel; de lakenvelders op het landgoed Archem in Overijssel; de zeldzame mozaïekperken op het landgoed de Mattemburgh in Brabant; of de waterwerken in Park Rosendael. Uit deze gesprekken blijkt de verknochtheid van de tuinbaas aan de buitenplaats, zoals de hoogbejaarde tuinbaas van Het Huys ten Donck die aan de tegenwoordige tuinbaas de oude bel cadeau gaf, die voor het werkvolk werd geluid als het schafttijd was. De namen van alle tuinbazen van de buitenplaats zijn daarin gegraveerd. De pas gepensioneerde tuinbaas van Archem blijft zijn lakenvelders verzorgen. En de oude tuinbaas van de Mattemburgh haalt regelmatig een gratis kopje koffie in de tot restaurant verbouwde oranjerie. Gerichte vragen over het gekozen aspect van de betreffende buitenplaats leverden een lawine van interessante informatie op.

Het kostte soms moeite om de rode draad vast te houden door de veelheid van kennis plus de nodige anekdotes. Bijvoorbeeld een tuinbaas op een landgoed die eiwit geeft aan zijn vleesetende planten, terwijl hij zelf het eigeel opeet. De doorgaans zwijgzame tuinbaas raakt niet uitverteld als het over zijn vak en park gaat. De gesprekken zijn door middel van gerichte literatuurstudie in een cultuurhistorische context geplaatst. Fotograaf van Galen Last maakte, behalve een algemene reportage, ook foto’s van meer specifieke werkzaamheden, toegespitst op het gekozen aspect. Zodoende vullen tekst en foto’s elkaar aan. Door deze oral history worden de contouren zichtbaar van een beroepsgroep die voor een deel de horticulturele geschiedenis van Nederland medebepaalde.

Kwaliteit van de Nederlandse buitenplaatsen

Het blijkt dat de groene kwaliteit van de Nederlandse buitenplaatsen hoog is. Die kwaliteit wordt bewaakt door de tuinbaas. Hij zorgt ervoor dat het historisch ontwerp in stand wordt gehouden, dat de belijning niet wordt aangetast, dat het bomenbestand op peil blijft, dat de waterwerken worden gebaggerd, dat er voldoende seizoensplanten zijn, dat de oranjerieplanten en boompjes tijdig worden binnengehaald, dat er gesnoeid, gekapt, gemaaid, gesproeid, gezaaid, gepoot en geoogst wordt. Veel mensen zijn nog onvoldoende bekend met de groene kwaliteit van de Nederlandse buitenplaatsen. Nog steeds maakt een groot deel van de tuinliefhebbers reizen naar het buitenland om daar de groene juwelen te bewonderen, die in het eigen land onbekend zijn. Daar wil de Tuinbaas en zijn Buitenplaats proberen verandering in te brengen. Zowel de buitenplaatsen als hun tuinbazen zijn de aandacht van een groter publiek meer dan waard.

Dit artikel is geschreven door Gertrudis A.M. Offenberg en is eerder verschenen in Tijdschrift Arcadië, uitgegeven door de stichting Vrienden PHB.

Geplaatst in Arcadië, Buitenplaatsen, Cultuurhistorie, Ecologie, Literatuur.