Particuliere eigenaren van monumenten weren zich

Drie organisaties met een grote achterban van particuliere eigenaren van rijksmonumenten trekken voortaan samen op onder de naam Federatie Particuliere Monumenteneigenaren (FPMe). De drie initiatiefnemers zijn de vereniging Bewoond Bewaard, de Vereniging Particuliere Historische Buitenplaatsen en de stichting Agrarisch Erfgoed Nederland.

Monumenten zijn belangrijk, of het nu gaat om sfeervolle grachtenpanden, voorname buitenplaatsen met fraaie omliggende parken en bossen, of karakteristieke boerderijen. Samen met kerken, kastelen, molens, gemalen en historische fabrieksgebouwen vormen zij het beeldbepalende deel van ons cultureel erfgoed. De sfeer van oude binnensteden en dorpen, de rust van het buitengebied maken het leven aangenaam. Goed onderhouden gebouwde en groene monumenten dragen daar in grote mate aan bij. Zij vertellen het verhaal van de geschiedenis van de plek. Mensen voelen zich daartoe aangetrokken, het stimuleert culturele initiatieven en toerisme. Erfgoed is een bron van inspiratie voor ruimtelijk en economisch beleid, voor recreatie en toerisme en draagt bij aan een aantrekkelijk leefklimaat.
Van de 60.000 rijksmonumenten is het overgrote deel (ca 40.000) eigendom van particulieren (niet-zijnde particuliere organisaties), vaak mensen die met hart en ziel en ten koste van grote inspanningen hun monumentale pand in goede staat weten te houden. Het is ten behoeve van deze groep mensen, dat de drie erfgoedorganisaties de handen ineen hebben geslagen en de Federatie Particuliere Monumenteneigenaren in het leven hebben geroepen. Het doel van deze samenwerking is om daar waar de belangen van de drie organisaties parallel lopen, samen op te trekken.

Monumenteneigenaren hebben te maken met beperkingen die voortvloeien uit de geldende monumentenwetgeving. De instandhouding van monumenten wordt terecht gezien als maatschappelijk belang, waarbij tevens de erkenning bestaat dat de eigenaar in financieel opzicht gecompenseerd moet worden voor de relatief hoge kosten die hij moeten maken voor eventuele restauratie en noodzakelijk onderhoud. Echter: volgens de huidige regering is dit stelsel van monumentenwetgeving toe aan ‘herijking’.
De Federatie Particuliere Monumenteneigenaren maakt zich op de discussie in het kader van de aangekondigde stelselherziening aan te gaan. Daarbij stelt zij het belang van de particuliere eigenaar voorop. Het is immers de eigenaar die de verantwoordelijkheid draagt, die de beslissingen neemt over onderhoud en restauratie, die waakt over het lot van het monument.

In het herijkingsproces zal naar verwachting veel aandacht uitgaan naar een nieuwe regeling van de verdeling van de schaarse financiële middelen door middel van subsidie, laagrentende leningen en – actueel eind vorig jaar – de fiscale regeling met betrekking tot de aftrek van onderhoudskosten. Maar dat is wat de Federatie Particuliere Monumenteneigenaren betreft niet het enige wat belangrijk is in de discussie. Geredeneerd vanuit het belang van de eigenaar gaat het ook over faciliteren en kennisdelen. Hoe kan de kwaliteit van bouwkundige ingrepen gewaarborgd worden, wat te doen met het energievraagstuk, bij wie kan de eigenaar aankloppen voor deskundig en betaalbaar advies?

In de komende maanden zal de Federatie Particuliere Monumenteneigenaren op verschillende manieren van zich doen horen: in de discussie over de stelselherziening en met initiatieven van voorzieningen voor eigenaren.

Oproep: Teken de petitie!

VPHB is op meerdere fronten, binnen en buiten de politiek, aan het werk om te proberen de wet inzake de afschaffing van de monumentenaftrek tegen te houden! Deze bezuiniging is een monumentale vergissing.

VPHB is lid van de Federatie Instandhouding Monumenten (FIM). Deze koepelorganisatie is een publiekscampagne gestart. Onderdeel van deze campagne is een petitie. Het ondertekenen van deze petitie (dit kan ook anoniem) is een klein maar belangrijk onderdeel bij het creëren van een publiek tegengeluid op de plannen. Laat daarom ook andere familie, vrienden en mensen die de rijksmonumenten, en buitenplaatsen in het bijzonder, een warm hart toedragen de petitie ondertekenen.

Deze petitie zal uiteindelijk worden aangeboden aan de Vaste Kamer commissie voor OCW van de Tweede Kamer. Hoe meer handtekeningen, hoe groter het publieke tegengeluid! Inmiddels zijn de eerste 4000 handtekeningen reeds gezet!

Teken hier de petitie

Restauratieachterstand monumenten dreigt opnieuw

De Vereniging Particuliere Historische Buitenplaatsen (VPHB) waarschuwt minister Bussemaker (OCW) en staatssecretaris Wiebes (Financiën) voor een monumentale vergissing. De vandaag voorgestelde plannen om de fiscale aftrek van onderhoud voor rijksmonumenten af te schaffen hebben grote gevolgen voor particuliere eigenaren van rijksmonumenten. De kans is groot dat hierdoor op termijn een nieuwe restauratieachterstand ontstaat.

Historische buitenplaatsen zijn bijzondere rijksmonumenten die de cultuurhistorische juwelen van het Nederlandse landschap vormen. Door een gebrek aan financiën zijn veel van deze buitenplaatsen door de eeuwen heen verdwenen. Slechts een klein aantal van deze monumenten is overgebleven en wordt nog bewoond. Het beheren en in stand houden van deze uitzonderlijke monumentale woningen is een tijdrovende bezigheid en ook kostbaarder dan een “gewone” woning. De laatste decennia heeft de overheid dan ook een beleid gevoerd dat restauratie en instandhouding bevorderde. Het onderhoud moet gedaan worden door specialisten, die de gewenste kwaliteit kunnen leveren. Zoals de uitstraling van stadsmonumenten in steden is, zo zijn ook de buitenplaatsen van groot belang voor de aantrekkingskracht en de belevingswaarde van het landschap.

Om het onderhoud van ons cultureel erfgoed vanuit de gemeenschap te steunen zijn de afgelopen decennia verschillende subsidieregelingen, laagrentende leningen en andere maatregelen ingevoerd. De belangrijkste van deze voorzieningen is de mogelijkheid om 80% van de onderhoudskosten voor deze rijksmonumenten in particulier eigendom fiscaal te verrekenen. Als het aan de minister van OCW en de staatssecretaris van Financiën ligt zal deze regeling per 1 januari a.s. overgaan in een overgangsregeling die uiteindelijk zal leiden tot volledige afschaffing ervan. Deze afschaffing treft uitsluitend ca. 25.000 particuliere eigenaren van woonhuismonumenten.

Terug naar een restauratieachterstand
Deze aanpassing staat haaks op het landelijke monumentenbeleid van de afgelopen jaren. Dat was er op gericht om de in de jaren ’80 en ’90 ontstane restauratieachterstand in te halen en daarna op peil te houden. Naast het maatschappelijke belang moet ook rekening worden gehouden met het feit dat het aanwijzen van een woning tot rijksmonument grote belemmeringen oplevert voor eigenaren. Deze belemmering wordt tot op heden gecompenseerd door een fiscale aftrek voor woonhuizen en subsidies voor de overige monumenten. Met de invoering van de Erfgoedwet per 1 juli jl. zijn op verzoek van de Tweede Kamer de verplichtingen voor eigenaren van rijksmonumenten zelfs verzwaard door de in de wet opgenomen onderhoudsplicht.

Per Insinger (Voorzitter VPHB) wijst op de mogelijkheid dat het gevolg van deze aanpassingen zal zijn dat er op termijn een nieuwe nationale restauratieachterstand ontstaat: “Met het wegvallen van deze compensatie voor particuliere monumenteneigenaren ontstaat een grotere drempel voor het uitvoeren van onderhoud aan woonhuismonumenten. Het schrappen van deze fiscale aftrek in samenhang met een bescheiden verhoging van het subsidiebudget voor rijksmonumenten lijkt vooral te zijn ingegeven door de wens om per saldo een bezuiniging te realiseren. Dit is niet in het belang van het Nederlands cultureel erfgoed en dus een duidelijke stap terug in de tijd”.

Rapport: Particuliere Instandhouding van Historische Buitenplaatsen

Van de 6000 historische buitenplaatsen die Nederland eens rijk was, zijn er nog slechts 552 over, die dermate interessant zijn vanuit cultuurhistorisch oogpunt, dat zij door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed als “Complex Historische Buitenplaatsen” beschermd zijn en daarmee voor het nageslacht behouden worden. De eenheid van rood en groen, het ensemble van Huis en Tuin/Park, die door de term “complex” wordt aangegeven, maakt de overblijvende 552 buitenplaatsen zo bijzonder.

Particuliere eigenaren spelen een belangrijke rol bij de instandhouding van deze buitenplaatsen. Verenigd in de VPHB met meer dan 200 leden, behoren zij tot de grootste groep eigenaren hiervan. Qua kubieke meters rood behoren zij tot de grootste groep conservatoren van ons cultureel erfgoed. Van de 1300 groene rijksmonumenten zijn er circa 330 particuliere historische tuinen, die onderdeel uitmaken van de Complex Historische Buitenplaatsen; daarmee zijn de particulieren ook verreweg de grootste groene conservator.

Hier kunt u het rapport “Particuliere Instandhouding van Historische Buitenplaatsen” downloaden, dat gemaakt is door Dr. Ir. Elisabeth Ruijgrok van het bureau Witteveen en Bos in opdracht van de Vereniging Particuliere Historische Buitenplaatsen (VPHB). Het rapport is onder andere gebaseerd op gegevens verschaft door de leden van deze vereniging.

VPHB Rapport Particuliere Instandhouding van Historische Buitenplaatsen

 

‘Ondernemen met natuur’ bundelt 350 verdienmodellen

Kun je geld verdienen met natuur? Ja, dat kan, luidt het antwoord van Hans Kamerbeek. Dat is de auteur van het boek ‘Ondernemen met natuur’, dat deze week is gepubliceerd. Kamerbeek heeft maar liefst 350 verdienmodellen, besparingen en tips verzameld uit de praktijk van het natuurbeheer. De Utrechtse gedeputeerde Bart Krol nam het eerste exemplaar maandag in ontvangst, tijdens een bijeenkomst op Landgoed Linschoten.

De overheid geeft de laatste jaren steeds minder subsidie voor het beheer van natuur en landschap. Dat dwingt eigenaren van natuurgrond, zoals landgoedeigenaren en natuurorganisaties, om meer eigen inkomsten te genereren. Dat vraagt om creatieve oplossingen. Met deze publicatie is er voor het eerst een totaaloverzicht van de mogelijkheden.

Roel Robbertsen, voorzitter van de Federatie Particulier Grondbezit (FPG), noemde ‘Ondernemen met natuur’ tijdens de presentatie een afspiegeling van de natuur- en landschapswereld anno 2015. Hij benadrukte ook dat de mate waarin natuur in de toekomst afhankelijk is van subsidies, niet alleen bepaald wordt door de vindingrijkheid van eigenaren. “Ondernemen met natuur vraagt om verantwoord ingepaste planologische ruimte, en die moet de overheid bieden.”

Marc van den Tweel, directeur van Natuurmonumenten, verbaasde zich erover dat er nog niet eerder een boek als dit is verschenen en denkt dat het in een grote behoefte voorziet. Hij gaf aan vooral kansen te zien in het stimuleren van mede-eigenaarschap van natuur, door bijvoorbeeld meer met burgercollectieven samen te werken.

Gedeputeerde Krol zei bij het ontvangen van het boek dat hij het een positieve ontwikkeling vindt dat eigenaren kijken hoe zij door te ondernemen de natuur in stand kunnen houden. Maar hij brak ook een lans voor natuursubsidies. “Natuur is de moeite waard om publiek geld aan uit te geven. Dat doen we aan heel veel waardevolle zaken. Daar hoef je je als overheid of maatschappij niet voor te schamen.”

Volgens auteur Hans Kamerbeek zelf ligt de toekomst in multifunctionele natuur: “hoe meer functies groen heeft, hoe minder afhankelijk ze is van subsidies en de politieke tijdgeest.”Rendabele functies (bijvoorbeeld het maken van streekproducten) kunnen op die manier de onrendabele functies financieren (bijvoorbeeld heidebeheer). “De mogelijkheden daartoe verschillen per gebied, dé oplossing bestaat niet.”

Dit boek is mede mogelijk gemaakt door financiële bijdragen van Federatie Particulier Grondbezit, stichting Steunfonds Particulier Erfgoed, stichting Landgoedvrienden, stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied, De Bosgroepen, Prins Bernhard Cultuur Fonds, stichting Anitya Foundation (Natuur en Landschap), provincie Utrecht, Vereniging Particuliere Historische Buitenplaatsen, Bosch van Rosenthal. Verder mocht men een financiële c.q. materiele bijdrage ontvangen van: www.landschappen.nl, landgoed Middachten, stichting Twickel, landgoed Anderstein, landgoed De Hoevens, Natuurmonumenten en het Gelders Genootschap.

Het boek is te bestellen via de website van FPG.

Lezing: ‘Vogels op Singraven’

Aan de hand van prachtige natuurfoto’s maar ook m.b.v. geluiden van vogels zal Harm Meek duidelijk maken hoe geboeid hij is door de natuur in het algemeen en vogels in het bijzonder. Hierbij zal hij veel vertellen over de rijke vogelstand van het landgoed Singraven. Harm Meek onderzoekt er sinds 1993 jaarlijks de toestand van de natuur. Tevens is hij coördinator van de vogeltellingen in Twente i.h.k.v. de landelijke Vogelatlas van SOVON.

Locatie: Huis Singraven. Het Huis is vanaf 15.30 uur open voor een kopje koffie.

Aanvang lezing 16.00 uur. Kosten € 5,00 p.p.
U wordt verzocht zich aan te melden en vooraf te betalen.
U ontvangt van ons bij aanmelding een bevestigings-email met bankrekeningnummer.
Uw deelname is pas definitief na betaling.
Deelname geschiedt op volgorde van binnenkomst.
Info + aanmelden voor deze lezing: weierink-bulten@hetnet.nl of aanmelden en betalen bij de landgoedwinkel van Singraven.

De Tuinbaas en zijn Buitenplaats

“’t Was een stoere man, die tuinbaas, van wel zes voet. Hij liep met naar den grond gebogen hoofd naast zijn metgezel voort, bedaard stappende, ietwat schuifelend met de in leêren pantoffels gestooken voeten. Hij droeg een vest zonder mouwen, dat vaal geworden was, in weer en wind, verscho- ten door de zon, boven een blauw boezeroen, waarvan de mouwen met een breeden boord sloten om de polsen. Een wit boezelaar, opgenomen aan een slip, was heengeslagen om de heupen, en om zijn beenen fladderde een werkbroek van bombazijn, aan de knieën gelapt en bulterig uitgezakt door den langdurigen indruk der forsche knieschijf. Alles aan hem sprak van gezondheid en kracht, van goed gevoed zijn en buitenlucht”
— Adriaan Brouwer (pseudoniem van Jacobus van Looij), De Nachtcactus, 1888

Veel mensen hebben een vage voorstelling van wat een tuinbaas is. Het is hoog tijd dat deze beroepsgroep eens duidelijk op de kaart wordt gezet. Een tuinbaas is een man of vrouw die de verantwoordelijkheid draagt voor de groene omgeving van de buitenplaats, in opdracht van en liefst in nauwe samenwerking met de eigenaar. Meestal is hij gekleed in een soort uniform, kaki of groen, en zonder witte boezelaar. De tuinbaas beheerst de tuinkunst: hij heeft kennis van de bodem, van bomen en planten, van snoeiwerk, van groente- en fruit- teelt, van het onderhoud van tuinsieraden en waterpartijen, van hekken en paden. Hij stuurt zijn personeel aan en geeft, meestal mondeling, zijn kennis door. Natuurlijk bestaan er diverse handboeken, maar hoe het toegaat in het historisch groen, op die specifieke plek, wordt toch hoofdzakelijk in de praktijk geleerd.

Edel beroep

Dit edele beroep dreigt te verdwijnen, want door economische noodzaak wordt vaak bezuinigd op het beheer van de groene buitenruimte. een vervelend voorbeeld hiervan is het intrekken van de PHB subsidie door het ministerie van LNV. Overigens is Lutz Jacobi, tweede kamerlid voor de PvdA, de indienster van een motie tegen dit onzalige plan, zelf ‘begeesterd’ door de tuinbaas van Oranjestein (Arcadië 2, 2009). de buitenplaats eigenaren moeten vanaf 2011 zelf hoveniers inhuren. Een hoveniersbedrijf inhuren is minder duur dan een vaste man in loondienst. De verbondenheid van beheerder en park, en daarmee de continuïteit, dreigt hierdoor verloren te gaan. De meeste tuinbazen zien immers hun park als hun eigen achtertuin. De opgebouwde kennis en het daaruit ontstane inzicht in de ontwikkeling van het historisch groen zijn voor die continuïteit noodzakelijk.

Er wordt vanuit de beroepsgroep van tuinbazen pogingen gedaan om door middel van opleidingen en een belangenvereniging het vak van tuinbaas in stand en hoog te houden. Kees Beelaerts van Blokland is, behalve buitenplaatseigenaar en hovenier, de voorzitter van het gilde van tuinbazen. Dit gilde is in 2003 opgericht met de doelstelling: ‘Het bijstaan van- en onderhouden van contacten tussen tuinbazen, en de onder de leden aanwezige kennis delen en uitwisselen. Zij tracht dit doel onder meer te bereiken door het geven van opleidingen’. Contacten zijn er vrolijk en frequent tussen de ongeveer honderd leden van het gilde. Beelaerts van Blokland en zijn gilde proberen dit verdwijnende beroep nieuw leven in te blazen. Door onderlinge ‘kruisbestuiving’ van adviezen, tips en soms ook materiële zaken. Niet zelden wisselt een struik of jonge boom van park. De diverse excursiedagen per jaar naar de buitenplaatsen of landgoederen van collega’s zijn zeer druk bezocht , vooraf wordt in het gildeblad de tuinbaas een beschrijving over de betreffende tuinbaas en zijn werkplek gegeven. Sinds kort staat ook bezoek aan buitenlandse historische tuinen op het programma, onder leiding van de bezielende tuinbaas Willem Zieleman van Paleis Het Loo.

tuinbazen

Opleiding

Het groene opleidingscentrum AOC-Friesland (agrarisch opleidingscentrum) is in februari 2010 met een tweejarige tuinbaasopleiding in Leeuwarden gestart. Het gilde van tuinbazen heeft daarbij een grote rol gespeeld. De prospectus voor het beheer en inrichting van het groene erfgoed, vermeldt: ‘Zodat alle betrokkenen tevreden zijn en het publiek kan genieten van de grote cultuur- en natuurhistorische waarde’. Er klinken dus hoopvolle geluiden, maar in tijden van economische recessie is het zaak om te zorgen voor een breed maatschappelijk draagvlak. Daarom wil het gilde van tuinbazen de horticulturele kennis van de tuinbazen vastleggen. Niet door middel van een nieuw handboek, maar door een onderzoek naar de werkzaamheden van tuinbazen, oud en jong, door heel Nederland. Een tuinbazenboek voor een groot publiek. Voor dit onderzoek bezocht ik, samen met Johan van Galen Last, groenbeheerder/tuinbaas en tevens fotograaf van de vereniging Natuurmonumenten, 24 buitenplaatsen en andere historische tuinen en parken. Door een dag of dagdeel mee te lopen met 26 tuinbazen (van Het Huys ten donck en Paleis Het Loo met de oude én de jonge tuinbaas) en deze te bevragen op een bepaald aspect ontstond een beeld van het verleden, het heden en de toekomst van de diverse onderdelen. Aan een historische tuin zitten vele aspecten en door telkens een ander aspect te kiezen krijgt men inzicht in een ‘virtuele’ buitenplaats. Hier geldt letterlijk dat het geheel meer is dan de som der delen. Bovendien blijkt door deze aanpak hoe veelzijdig het werk van een tuinbaas is en van hoeveel markten hij thuis moet zijn.

Het boek de Tuinbaas en zijn Buitenplaats is geen exposé́ van vakkennis, dat immers voor leken al gauw onbegrijpelijk wordt. De gesprekken gaan niet alleen over kennis van groenzaken, maar ook over eigentijdse arbeidsverhoudingen, lastige wetten en voorschriften en publieksmaatregelen. Belichte aspecten zijn bijvoorbeeld de stinsenplanten op de Dekemastate in Friesland; de haagwerken van Weldam; het bos- en faunabeheer op Middachten; de oranjeriecollectie op Twickel; de lakenvelders op het landgoed Archem in Overijssel; de zeldzame mozaïekperken op het landgoed de Mattemburgh in Brabant; of de waterwerken in Park Rosendael. Uit deze gesprekken blijkt de verknochtheid van de tuinbaas aan de buitenplaats, zoals de hoogbejaarde tuinbaas van Het Huys ten Donck die aan de tegenwoordige tuinbaas de oude bel cadeau gaf, die voor het werkvolk werd geluid als het schafttijd was. De namen van alle tuinbazen van de buitenplaats zijn daarin gegraveerd. De pas gepensioneerde tuinbaas van Archem blijft zijn lakenvelders verzorgen. En de oude tuinbaas van de Mattemburgh haalt regelmatig een gratis kopje koffie in de tot restaurant verbouwde oranjerie. Gerichte vragen over het gekozen aspect van de betreffende buitenplaats leverden een lawine van interessante informatie op.

Het kostte soms moeite om de rode draad vast te houden door de veelheid van kennis plus de nodige anekdotes. Bijvoorbeeld een tuinbaas op een landgoed die eiwit geeft aan zijn vleesetende planten, terwijl hij zelf het eigeel opeet. De doorgaans zwijgzame tuinbaas raakt niet uitverteld als het over zijn vak en park gaat. De gesprekken zijn door middel van gerichte literatuurstudie in een cultuurhistorische context geplaatst. Fotograaf van Galen Last maakte, behalve een algemene reportage, ook foto’s van meer specifieke werkzaamheden, toegespitst op het gekozen aspect. Zodoende vullen tekst en foto’s elkaar aan. Door deze oral history worden de contouren zichtbaar van een beroepsgroep die voor een deel de horticulturele geschiedenis van Nederland medebepaalde.

Kwaliteit van de Nederlandse buitenplaatsen

Het blijkt dat de groene kwaliteit van de Nederlandse buitenplaatsen hoog is. Die kwaliteit wordt bewaakt door de tuinbaas. Hij zorgt ervoor dat het historisch ontwerp in stand wordt gehouden, dat de belijning niet wordt aangetast, dat het bomenbestand op peil blijft, dat de waterwerken worden gebaggerd, dat er voldoende seizoensplanten zijn, dat de oranjerieplanten en boompjes tijdig worden binnengehaald, dat er gesnoeid, gekapt, gemaaid, gesproeid, gezaaid, gepoot en geoogst wordt. Veel mensen zijn nog onvoldoende bekend met de groene kwaliteit van de Nederlandse buitenplaatsen. Nog steeds maakt een groot deel van de tuinliefhebbers reizen naar het buitenland om daar de groene juwelen te bewonderen, die in het eigen land onbekend zijn. Daar wil de Tuinbaas en zijn Buitenplaats proberen verandering in te brengen. Zowel de buitenplaatsen als hun tuinbazen zijn de aandacht van een groter publiek meer dan waard.

Dit artikel is geschreven door Gertrudis A.M. Offenberg en is eerder verschenen in Tijdschrift Arcadië, uitgegeven door de stichting Vrienden PHB.

De magie van de buitenplaats

Het beschermen van cultuurhistorisch erfgoed gaat ons in Nederland goed af. Waar in Nederland één rijksmonument per 280 inwoners staat, is dit in bijvoorbeeld Vlaanderen één per 500 inwoners.[1] Toch zijn wij Nederlanders over het algemeen niet veel met onze geschiedenis bezig. Zo had bijna de helft van de Nederlandse bevolking in 2008 geen idee welke eeuw bekend staat als de Gouden Eeuw.[2] Dikke geschiedenisboeken waren (en zijn nog altijd) uit de mode, enkel weggelegd voor een selecte groep van liefhebbers. Een verhalende stijl van presenteren biedt echter mogelijk uitkomst: storytelling.

Breng een kind naar een kasteel of buitenplaats en het waant zich de rest van de dag een dappere ridder of mooie prinses. Het gebouw vormt ‘slechts’ het decor binnen de fantasie van de jeugdige bezoeker – het gaat om de verhalen en avonturen die de ridder en de prinses beleven. Bij volwassenen werkt dit niet anders. Verhalen geven ons grip, helpen ons verwerken wat wij waarnemen en geven betekenis aan wat wij doen. Onze hersenen zijn constant op zoek naar de onderliggende samenhang tussen gegevens. Het onthouden van een serie jaartallen en gebeurtenissen an sich is een lastige klus, maar presenteer de gebeurtenissen in een lopend verhaal en onze hersenen kunnen de informatie veel beter verwerken. Verhalen sluiten aan op de manier waarop wij informatie verwerken.

Een goed voorbeeld van een presentatie waarin storytelling centraal staat is de website van het Van Gogh museum. In plaats van de bezoeker te confronteren met een volledig uitgeschreven biografie over het leven van de schilder zet het museum in op korte teksten en citaten die binnen een thema zijn gegroepeerd. De website neemt de bezoeker mee door de verhalen en inspiratiebronnen die om de beroemde grootmeester heen hangen in plaats van een droge opsomming van zijn leven te geven.

Historische buitenplaatsen zijn typisch locaties die bijzondere verhalen herbergen. Van oudsher dienden deze locaties veelvuldig als inspiratieplek voor bijzondere bewoners en logees als dichters, filosofen, schilders en staatslieden. Dit zijn de verhalen die verteld moeten worden! Het zijn deze verhalen die van buitenplaatsen ook voor volwassenen die magische plek maken van weleer. Durf in de informatievoorziening over uw buitenplaats verder te gaan dan een beschrijving van de architectonische schoonheid van de gevel of welke familie op welk moment eigenaar was. Ga in op een markante bewoner of bezoeker en vertel juist dàt verhaal. Zo beklijft het beter en onderstrepen we het belang van de buitenplaatsen als belangrijk Nederlands cultureel erfgoed.

Men zegt wel eens dat gebouwen een verhaal te vertellen hebben, maar niets is minder waar. Het gebouw zelf zal nooit spreken, het zijn de mensen die in een gebouw wonen, werken of er grote daden in de buurt verrichtten die het narratief voorzien. Storytelling is daarin een fantastisch instrument om de geschiedenis van de buitenplaatsen inzichtelijk en beleefbaar te maken voor een breed publiek, onze hersenen zijn er immers dol op. Het zal aan de storytelling in de film over het leven van Michiel de Ruyter te danken zijn dat meer mensen tegenwoordig weten dat de 17e eeuw het juiste antwoord is op de eerdergenoemde vraag.

[1] Gertjan de Boer, Erfgoedstem 12 februari 2015

[2] Geschiedenismonitor 2008

Sport op de buitenplaatsen

Een graaf aan het croquetspel, een Oranjeprins op de tennisbaan, een landheer aan het biljart, een baron op de fiets. Zo ging het vroeger toen sport vooral was voorbehouden aan adel en elite. Het ‘gewone volk’ deed er niet aan. Maar dat is inmiddels grondig veranderd, zo grondig dat tegenwoordig vrijwel iedereen aan sport doet. Het is een normaal onderdeel van ons dagelijks leven geworden. Hockey, tennis en inmid- dels ook golf hebben zich ontwikkeld tot ware volkssporten. Maar als je in het verleden van al die sporten duikt, dan zie je dat ze zich vrijwel alle hebben ontwikkeld vanuit het vermaak van adel en elite, dat vooral op buitenplaatsen plaatsvond. Het is dan ook de maatschappelijke toplaag die eind negentiende, begin twintigste eeuw een sleutelrol speelt bij de opkomst van de moderne sport in nederland.

Dit verbaast niet. De opvoeding van adel en elite is er vanouds op gericht een scherp intellect te kweken, gepaard aan een goed getraind lichaam. Zo schrijft Baldassare Castiglione in 1528 in zijn invloedrijke etiquetteboek ‘Het boek van de hoveling’ over alles wat de volmaakte edelman moet kunnen: paardrijden, schermen, vechten, schieten, maar ook musiceren en dansen. Hij moet zich flink inspannen om zich dit allemaal eigen te maken, maar die intensieve oefening mag je er niet aan afzien. Alles hoor je te doen met gratie, flair en quasi-nonchalance, in het Italiaanse sprezzatura geheten. De door Castiglione genoemde lichamelijke oefeningen hebben te maken met vaardigheden die voor het slagveld nodig waren, zoals paardrijden en schermen. Maar ook dansen, want dat zorgt voor behendigheid, scherpte, evenwichtsgevoel, alertheid, snelheid, inzicht en uithoudingsvermogen; vaardigheden die je goed kon gebruiken op het slagveld. Ten slotte zorgt een goed getraind lichaam er ook voor dat de edelman zich elegant kan presenteren en zich in lichaamshouding onderscheidt van de massa.

Goede sociale contacten

De negentiende eeuw zag een nieuwe opleving van sporten. De moderne sportbeoefening was onder meer op Engelse privé kostscholen tot ontwikkeling gekomen. Daar werd veel aandacht aan sport besteed als middel tot karaktervorming. Door in teamsporten te spelen leer je onderlinge solidariteit en ontstaat een collectieve identiteit. Juist op buitenplaatsen werden in die tijd (en worden nog steeds) tal van sportieve activiteiten beoefend. Men richtte er biljart- en jachtkamers in en bouwde paardenstallen, tennisbanen en zwembaden. Op landgoederen werd gefietst en op het gras kon je gezellig croquet spelen. In verhouding met de werkende klasse hadden adel en elite voor de sport niet alleen geld en genoeg ruimte op hun buitenplaats, ook hadden ze veel vrije tijd. Dat werd graag besteed aan het onderhouden van goede sociale contacten. Dat was niet alleen voor de gezelligheid, maar ook voor het bevestigen van de eigen maatschappelijke positie.

sport3

Tennisbaan op buitenplaats Middachten

Tennis

Tennis ontwikkelde zich tot een ideale buitenplaats-sport. Nieuw was dit balspel niet: al rond 1500 wordt de eerste tennisbaan van ons land op het Binnenhof, achter de Ridderzaal, aangelegd. (Er ligt op die plek een gedenkplaquette). Het woord tennis is overigens afgeleid van het Franse ‘tenez’ (houd ‘m!), waarmee de service werd aangekondigd. Het in nette kringen zo populaire spel had vanaf 1500 de volgende kenmerken: de bal werd met een racket over een net gespeeld; de puntentelling ging van 15, 30, 40 naar 60 of game; en men speelde op een baan tussen vier muren om schade door rondvliegende ballen te beperken. Een belangrijk verschil met modern tennis, dat na circa 1800 in zwang kwam, is de baansoort, tegenwoordig op gemalen dakpannen (gravel), op hardcourt en heel soms op geschoren gras (lawn tennis).

Wie was nu degene die onze eerste tennisbaan aanlegde? Dat was Filips de Schone (1478-1506), hertog van Bourgondië. Hij blijkt de eerste racketbezitter van ons land te zijn geweest. De mooie Filips was een fanatiek speler; ja, zo groot was zijn hartstocht voor tennis dat hij eraan bezweek. Na afloop van een zware partij in 1506 dronk hij zoveel water dat hij ter plekke stierf. Inmiddels had de elite dit spel met een ‘reket’ ontdekt. Bij verschillende kastelen en buitenplaatsen werden tennisbanen aangelegd, onder meer bij Huis Bergh in ’s Heerenberg, Huis ter Kleef bij Haarlem en Batestein bij Vianen. Ook de Prinsen van Oranje, zoals Willem I en zijn zoons Maurits en Frederik Hendrik, sloegen graag een balletje, onder meer op de banen bij het kasteel van Breda en het Prinsenhof te Arnhem. Stadhouder Willem II was de meest hartstochtelijke tennisspelende Oranjeprins. Hij was niet bij de tennisbaan weg te slaan en zei hierover dat ‘hij zo graag speelt dat hij niet kan ophouden als hij er is’. De Oranjeprins liet tennisbanen bouwen bij zijn Huis te Dieren en het paleis Honselersdijk. Overigens was het niet ongebruikelijk om ter vergroting van de opwinding voor zowel spelers als toeschouwers geld in te zetten op de uitslag van de wedstrijd.

De mooie Filips was een fanatiek speler; ja, zo groot was zijn hartstocht voor tennis dat hij eraan bezweek. Na afloop van een zware partij in 1506 dronk hij zoveel water dat hij ter plekke stierf.

In de negentiende eeuw verrijzen in ons land steeds meer privé tennisbanen, onder meer bij kasteel Amerongen. Hoe ging het er daar aan toe? Men zag tennis als een sociaal evenement, maar men speelde natuurlijk ook ter ontspanning. Geregeld werden tennispartijen georganiseerd. Daartoe stuurden families van buitenplaatsen elkaar uitnodigingen om partijen te spelen en tussendoor gezellig bijeen te zitten en te converseren. Bij de baan waren zitjes met stoelen en tafels, waar verfrissingen en versnaperingen vanuit de keuken werden gebracht. Vaak arriveerden de gasten voor de thee; aansluitend ging men dan tennissen. Op Amerongen vertrokken de kinderen als het spel ten einde liep alvast naar huis om in de drie badkamers die het kasteel destijds telde de baden vol te laten lopen. De spelers fristen zich op en verkleedden zich voor het diner. De avond werd vaak besloten met een spelletje bridge.

sport2

Ongedwongen wijze van contact maken

Overigens heeft de tennissport in de afgelopen honderddertig jaar grote invloed uitgeoefend op de wijze van kleden bij sport en vervolgens ook op de dagelijkse mode. Het moderne tennis was één van de eerste sporten waaraan vrouwen volwaardig konden deelnemen. Dat was mogelijk, omdat het werd gespeeld op beschutte particuliere banen. Deze deelname door vrouwen was tot groot genoegen van de jonge mannen, die op een meer ongedwongen wijze contact konden zoeken. Het woord flirten is dan ook met de tennissport meegekomen.

In de loop van de negentiende eeuw werd tennis allengs populairder. Mensen zónder buitenplaatsen wilden dit mooie spel ook beoefenen en zo ontstonden speciale tennisclubs. De eerste waren de Lawn Tennis Club Haarlem en Victoria in Rotterdam, Ready in Gorinchem en Sphaerinda in Utrecht. In 1899 werd de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond opgericht. Tennis begon aan een ware triomftocht: tegenwoordig heeft de KNLTB rond de 700.000 leden en vormt daarmee in grootte de tweede sportbond in Nederland.

Literatuur

  • C. de Bondt: Heeft yemant lust met bal, of met reket te spelen..? Tennis in Nederland tussen 1500 en 1800, Hilversum 1993.
  • M. knuijt, C. de Bondt (Red.): De adel in beweging. Aspecten van een sportief leven op een adellijk huis, stichting vriendenkring kasteel Amerongen 1999.

Dit artikel is geschreven door Reinildis van Ditzhuyzen en is eerder verschenen in Tijdschrift Arcadië, uitgegeven door de stichting Vrienden PHB.

Tuindagen Landgoed Vollenhoven

Een tuinbeurs met karakter op het feeëriek landgoed Vollenhoven in De Bilt. Een wandeling over het historische landgoed, de prachtige tuinen, de ijskelder, de oranjerie en het koetshuis gecombineerd met hedendaags amusement.

Landgoed Vollenhoven is een particulier landgoed gelegen aan de Utrechtseweg in De Bilt. Een zeer complete buitenplaats met alle originele gebouwen en tuinen nog intact. Het staat bekend om de prachtig onderhouden tuinen die het landhuis omringen. Een grote Engelse tuin met diepe borders vol kleur en geur. Een moestuin van 1,5 ha groot waar vergeten groenten biologisch geteeld worden en een grote collectie delphinium en lupine staat. Het Engelse landschapspark dat voor de rust en de mooie doorkijkjes zorgt. Dit alles aaneen geregen door een statig, oud beukenbos. Dit alles op het historische deel van het landgoed van ca 15 ha. Het meest unieke van het landgoed is dat het privé wordt bewoond en beheerd en dat zie en voel je in de sfeer en de manier van het onderhouden.

Wat is er te zien en te doen?
Tijdens de Tuindagen zullen alle tuinen rondom het statige huis langs de Utrechtseweg toegankelijk zijn. Het is mogelijk een rondleiding te krijgen, en op deze manier de tuinen te bezichtigen en achtergrond informatie te krijgen van het landgoed. Ook kunt u er voor kiezen zelf een wandeling te maken door de Engelse tuin, de Moestuin,de ijskelder en het park. Op verschillende plekken over het landgoed verspreid zijn verkoopstands te vinden. Gespecialiseerde kwekers, tuingereedschap, buitenkleding, maar ook gezellige huis- en tuindecoratie stands. Het is op meerdere plekken mogelijk iets te drinken en te eten en daarbij te genieten van de prachtige omgeving. Op zaterdag en zondag zijn er voor de kinderen speciale activiteiten.

Locatie: Landgoed Vollenhoven, Utrechtseweg 59, 3732 HA De Bilt
Data en openingstijden: Vrijdag 26zaterdag 27 en zondag 28 juni 2015 van 10.00 tot 17.00 uur
Entree: Volwassenen €7,50, kinderen tot 12 jaar gratis, 65+ €1,- korting
Parkeren: €2,- per auto.
Rondleiding: €2,- p.p.
Honden: Honden zijn welkom mits aangelijnd.
Meer informatie: www.landgoedvollenhoven.nl

Foto: Flickr CC // H.J. Winkeldermaat